Over Dingen

Voordracht
MAURITS DE BRUIJN

Over Dingen

1 — Bed

Ik heb eens gedaan alsof mijn bed een schip was. Ik heb eens gedaan alsof mijn bed een berg was. Ik heb eens gedaan alsof mijn bed een liefdesnest was. Ik heb eens gedaan alsof mijn bed niet mocht worden verschoont. Mijn bed heeft eens gedaan alsof het groter was. Ik heb eens gedaan alsof jij in mijn bed lag. Ik heb eens gedaan alsof mijn bed kon praten. Ik heb mijn bed weleens betaald. Ik heb eens gedaan alsof mijn bed in een ziekenhuis stond, met bloed op het bed. Ik heb mijn bed weleens verhuisd. Mijn bed was eens een filmset, ik kan alles met mijn bed.

2 — Kussen

Vrouwen in roze en paars zwaaien naar me. Ze staan in een tuin die beweegt als de wind dat wil. Er vliegt een grote blauwe vogel door de tuin, er zijn pauwen, duiven, rozen en vlinders, maar ik zie mijn moeder niet. Zit ze in een plooi van het gordijn, zijn de vrouwen in het roze niet haar vriendinnen, hoort zij niet in de wereld van het gordijn?

Ik lig in haar bed, ik weet niet hoe oud ik ben. De zon schijnt de kamer binnen door de gordijnen van tuinen die ik zo goed ken. Mijn moeder stond net nog naast me, zei iets over school. Maar ik wil leven in dat gordijn, bij vrouwen die moeders zijn van de tuin, waar iedereen me gelukkig wil maken. Ik wil daar en met de blauwe vogel praten. Ik kan eindelijk kijken hoe groot de vlinders zijn en of ze niet vastzitten op hun plek, maar zullen opvliegen als ik in de buurt kom.

Ik zit nu met het kussen op mijn schoot. Het kussensloop dat van de gordijnen is gemaakt, zo gaan die dingen. De vrouwen zijn nu gevangen op veren van 50 bij 50 in plaats van het oneindige gordijn dat door licht en wind mocht zweven. Ik hou het kussen tegen mijn buik.

3 — Plastic Poppenbedje

Een hamster krijgt hamsterbed. Dat is een rozig, wollig materiaal. Men stopt dat in het huisje van de hamster. De hamster zoekt vervolgens zijn weg in het wol, gangen en kamertjes. De hamster slaapt veel. Terwijl het slaapt legt en drukt het openingen in zijn hamsterbed, maakt het zich eigen. Warme gaten waarin de hamster plast en ontlast. Het materiaal is gemaakt om zich te vormen naar het gedrag van het hamsterlichaam.

Als de mens het hok verschoont, haalt men het hamsterbed weg. Een nieuw stuk wol valt door de opening van de kooi in het hamsterhuisje. Een nieuwe slaap, een nieuwe weg begint.

4 — Lamp

Mijn moeder vond de buurvrouw zielig, dus bracht zij haar eten. Elke avond na de maaltijd pakte ze wat in en over de heg gaf ze onze etensresten aan de buurvrouw. Zij had een trainingspak aan, we aten om half zes. Ik vond het nooit lekker, mijn broers wel. Mijn broers en de buurvrouw moesten wachten tot ik klaar was met het draaien en verleggen van de aardappels. Sorry nog, daarvoor. Mijn moeder kreeg van de buurvrouw een groene lamp.

De buurvrouw gaf mijn moeder een lamp die iedereen lelijk vond als dank voor het jarenlang weggeven van het eten. Mijn moeder kookte altijd teveel. Nu heb ik de lamp, ik at altijd te weinig.

5 — Buste

Je bent mooi vleeskleurig plastic vandaag.

Word niet te echt, klein jongetje. Blijf nep en blijf geuren naar goedkope winkels. Er zit een gat onder je linkerbeen, schone jongen. Iedereen mag zien dat je sleutelbeen slechts een bolling van het plastic is.

Ik heb je weleens vastgepakt. Want je bent geen poging tot een echt mens, maar een simpel fabrikaat.

6 — Sigaretten

Het is bijna niet te horen, maar het aansteken van de tabak gaat gepaard met een sissen. Je voelt de nicotine. De sigaret ligt op de asbak, een dun streepje rook stijgt op, je opent het raam. Je voelt je schuldig voor iets dat je in je eigen huis doet. De koffie is al klaar, het apparaat is stuk. Het slaat niet meer af, het water blijft maar stromen. Je bent bang geworden van je eigen koffiezetapparaat. Zo spreek ik mezelf toe op een maandag, ik denk aan die eerste sigaretten die we hebben gerookt.

Je was een rood wit liegebeest dat jaar. Op het schoolplein waar nooit iemand stond rookten we de sigaretten van je moeder. Wij hadden onze eigen pauzes en onze eigen gymlessen. De lijnen waren uitgezet: veel roken, een beetje liegen en klagen over het leven waarvan we wisten dat het verschrikkelijk behoorde te zijn. Ja, we moesten pijn lijden, want dat hadden we op televisie gezien. We hadden nog nooit koffie gedronken. Rood wit waren wij.

7 — Geel Vest

Veel jongens vinden het vest mooi. Veel jongens vinden gele vesten mooi. Dan ontstaat er een stuntelig gesprek met sigaretten in het donker over mode, maar daar praat ik liever niet over.

8 — Foto

Ik vroeg mijn moeder of ik het pak weer aanmocht. Ik begreep het verschil tussen feest en ‘normaal’ niet, heb daar nog weleens last van.

Ik was de gele clown met witte stippen. En de enige uit de klas zonder schmink op mijn gezicht. Mijn haar was blond, de hele klas was blond. Een meisje was als ezel verkleed, iedereen zat op een rijtje. In het lokaal stond een plastic hoofd vol met lollies als haren, ik was liever thuis gebleven. De juf was ook als clown verkleed, dat stoorde mij, want het was ons feest.

Wat de aanleiding was voor onze viering weet ik niet meer. Ik had niet het gevoel dat ik leuk moest doen, of aardig of grappig. Ik bleef dat stille, dromerige jongetje. Dat dat nog eens zou veranderen, wist ik niet.

Origineel gepubliceerd als een voordracht op VPRO Radio

Tekst door Maurits de Bruijn