Je bent mijn moeder en mijn kind

MAURITS DE BRUIJN

Je bent mijn moeder en mijn kind

(Dochter komt binnen bij moeder)

Dochter: Wat zie je er goed uit!

Moeder: Nou, je hoeft niet zo verbaasd te doen.

Dochter: Ik vind dat een goede jurk.

Moeder: Ik heb nu een leeftijd waarop een gewone jurk niet meer voldoende is.

Dochter: Het huis lijkt wel groter. Groter dan toen ik een kind was. En lichter ook. Wat heb je voor me gemaakt? Oh, ik ruik het al. Ragout.

Moeder: Toen je klein was en uit school kwam vroeg je altijd meteen wat ik aan het koken was. Vreselijk vond ik dat.

Dochter: En één keer per week was het ragout. Alsof je niet wist dat ik het niet lekker vond.

Moeder: Ragout is overal goed voor. Overal goed bij. Papa houdt van ragout. En Ben trouwens ook.

Dochter: Papa is dood en Ben is weggelopen, dus wij zouden het niet meer hoeven te eten.

Moeder: Ik dacht je een plezier te doen. Ik heb heel de middag in de keuken gestaan. Je moet erbij blijven. Je kunt niet tussendoor iets anders gaan doen. Je moet in die pan blijven roeren, dat proef je gewoon.

Dochter: Het is die saus, zo'n gelei achtige saus.

Moeder: Zoals de puddinkjes die je vader eet.

Dochter: At, mama. Pappa at. Wat doen die bitterballen op tafel?

Moeder: Bitterballen zijn mijn vakantie. Eet ze tegenwoordig bijna elke dag. Heerlijk.

Dochter: Hoe lang ben jij al op vakantie? Het ziet er uit alsof je hier net woont. Of alsof je weggaat. Al die dozen op elkaar gestapeld, het lijken wel totempalen.

Moeder: Nou, er is iets aan het veranderen hier. Daar zijn die dozen voor.

Dochter: Kom ik ongelegen? Als je liever gaat verbouwen, hoef je het maar te zeggen. Je zou van die pillen afmoeten. Kijk nou wat er staat. Hoeveel van die dingen slik je eigenlijk op een dag? Ze zwemmen rondjes in je maag. En wat doet dat derde bord hier?

Moeder: Die pillen zijn onschadelijk. Allemaal natuurlijk.

Dochter: Mam, dat derde bord?

Moeder: Ik zou zo graag willen dat je ging zitten en je bitterballen zou eten.

(Dochter gaat zitten)

Dochter: Dat verhaal van die vliegtuigramp weet je wel. Dat ook verfilmd is. Dat die paar mensen die de ramp overleven bovenop die sneeuwtoppen besluiten een lijk op te eten. Ik heb altijd gedacht dat mensenvlees naar ragout zou smaken.

Moeder: Dan hadden ze geluk, die overlevenden, want het is heerlijk. Maar we wachten nog even met de ragout. Zeg, vind jij mannen eigenlijk nog leuk?

Dochter: Mannen?

Moeder: Mannen.

Dochter: Nouja, ik vond Ben leuk. Tot hij een klootzak werd natuurlijk. Mam, niet zo slordig eten! Het mogen dan bitterballen zijn maar zo heb je me niet opgevoed.

Moeder: Toen ik jouw leeftijd had, een mooie leeftijd trouwens, ja nu niet meer... nu zijn jullie allemaal zo paniekerig. Dat hadden wij vroeger niet. Maar goed, toen ik zo oud was als jij was ik nergens bang voor.

Dochter: Ik heb over je gedroomd. Ik droomde dat ik bij je op bezoek ging en toen ik aankwam werd er niet door jou opengedaan maar door een verpleegster. En meteen dacht ik: het is zover.

Moeder: Zie je? Daar zijn die angsten van je.

Dochter: En ze bracht me naar de tuin. Daar stond je onder de kastanjeboom. Je glimlachte lief en je was jaren ouder. Minstens negentig. Je liet me je omhelzen maar ik voelde dat je me niet herkende.

Moeder: Ja, ik ga hier niet zitten luisteren naar hoe jij je mijn oude dag inbeeldt. Je bent geobsedeerd.

Dochter: Ik weet wel waarom dat bord hier staat. Het is voor papa. Toen hij een jaar dood was, was het nog aandoenlijk. Nu is het is acht jaar geleden, Mam. Papa at. Papa keek. Papa deed. Papa was.

Moeder: Ze zouden er andere woorden voor moeten vinden. Eet gewoon, laat je alsjeblieft niet zo opnaaien. Dat was vroeger al zo.

Dochter: Opnaaien? Wat zeg je? Op-Naaien?

Moeder: Ik zou willen dat je wat meer at. Je was al zo vaak ziek als kind. Dan kwam je s ochtends in je pyjama naar beneden met een wit gezicht. Dan vroeg dat gezicht vanzelf of je thuis mocht blijven en belde ik de school om te zeggen dat je je niet goed voelde.

En dan was je al beter. Weet je dat het me opluchtte? Dat het een bevestiging voor me was dat ik iets goed deed? Een getuigenis dat je liever bij mij was. Het was ons verbond. Je kroop op de bank en liet me voor je zorgen. Die dagen zijn me altijd bijgebleven. Zonnige dagen waarop niemand ziek was, alleen jij.

(De bel gaat.)

Moeder: Ik doe even open.

(Moeder komt terug met man)

René: Jij moet Judith zijn.

Dochter: Wat zou er gebeuren als ik nee zeg?

Réne: Ik ben blij je eindelijk te ontmoeten.

Dochter: Mam, wie is dit?

Moeder: Dit is René. René houdt wel van ragout.

René: Het ziet er heerlijk uit.

Moeder: Ga zitten, lieverd. Ik had al een bord voor je neergezet. Judith werd er een beetje gek van, maar dat is niet nodig.

René: Wat is er hier gebeurd? Er is iets anders.

Moeder: Ja, die dozen. Ik heb ze maar even aan de kant gezet.

René: Ah, ik zie dat je het bestek vergeten bent. Laat mij dat maar pakken.

Dochter: Nee, ik ga wel. Ik weet waar het ligt.

(Dochter gaat keuken in)

Moeder: René? We moeten haar zo even vertellen dat jij ook weet waar het bestek ligt.

René: En dat ik ook weet waar de slaapkamer is.

(Dochter komt terug)

Dochter: Laten we gaan eten. Ik kan niet wachten. Nee, ik kan wel wachten. Wie ben jij, René? Mam, wat is dit? Probeer je me te koppelen aan deze man? Want als dat zo is kan ik je nu al meteen zeggen dat het niets wordt. Dat je mijn ragout net zo goed door de plee kan spoelen, dan haal ik wel een patatje ergens.

Moeder: Lieverd, ik had nooit gedacht dat ik je ooit ongelukkig zou zien. Dat je dit nodig zou vinden.

René: Ik geloof dat we elkaar niet begrijpen. Ik ken dit gezin niet, maar... Judith, ik hoor bij je moeder. Sinds kort. Of, dat wil ik graag. Ik ga bij haar horen.

Moeder: Ja, dat proberen we.

Dochter: Sinds wanneer?

Moeder: Een maand. Twee? Leuke maanden, hoor.

Dochter: Oja. Zo gaat het dus. Zo kom je erachter dat je moeder een nieuwe man heeft, een man van jouw leeftijd.

Moeder: Een man van elke leeftijd.

Dochter: Dit is niet leuk voor dochters. Zo wil je hier niet achterkomen. Niet met een bord voor je neus, met zijn drieën aan tafel. Alles al helemaal aan de hand.

Moeder: Een mens moet toch eten.

René: Laat het je bekomen, Judith.

Moeder: Hoe was je dag, liefje?

René: Ik stond op met een slecht gevoel, liet me opnaaien door een slechte droom.

Dochter: Opnaaien?

René: Ja, zo'n typische nachtmerrie. Het is het niet eens waard uit te leggen.

Dochter: Ik wil naar huis.

Moeder: Niet zo overdrijven. We zitten net.

Dochter: Die ragout brengt me weer helemaal terug.

Moeder: Ja... Mij ook. Dit was een slecht idee. Hier worden we niet gelukkiger van.

René: Ik vind het anders waanzinnig lekker.

Dochter: Ik eet het niet op hoor, Mam.

Moeder: Misschien ben ik er wel te lang bij gebleven, had ik het een beetje moeten laten gaan.

René: Zal ik koffie zetten?

Moeder: Nee, alsjeblieft niet. Mijn leven is al spannend genoeg. Ik slaap nauwelijks. Geef me liever een sigaret. Heb jij er één voor me, schat?

Dochter: Nu je de zestig bent gepasseerd begin jij te roken? Na wat er met papa is gebeurd?

Moeder: Lieverd, je papa is aangereden door een bus.

René: Koffie dus.

Dochter: René? Wist je dat ik doof ben geweest? Bussen hebben een blinde hoek en ik was doof.

Moeder: Oh, Judith wil graag een trut zijn.

Dochter: Papa heeft me naar alle dokters gesleept. Ze keken in mijn oren en konden niets vinden. Met een lolly werden we naar huis gestuurd. Die lollies moesten van Mama in de pot.

Moeder: Ik vind dit niet aardig, ik vind het a-so-ciaal.

Dochter: Het was mijn moeder, René. Mijn moeder had me doof gemaakt. Alsof mijn oren vanzelf naar binnen sloegen. Vroeg of laat zullen de jouwe hetzelfde doen. Zit je alleen in stilte met een pot vol lollies.

Moeder: Wat een drama.

Dochter: Wat zeg je moeder? Ik versta je niet!

Moeder: Niet verpesten dit. We hebben het net leuk. Dit is leuk.

René: Ik ben al weg, he? Eigenlijk sta ik hier niet meer. Ik ben koffie maken.

(René loopt keuken in)

Dochter: Zie je dan niet hoe vernederend dit is.

Moeder: Hoh, lieverd. Stop even. Dit gaat niet om jou.

Dochter: Nee, niet om mij Het gaat om jou en jouw nieuwe man. Man van míjn leeftijd.

Moeder: Nou, ik denk dat het wel iets voor me is. Hij, die René, het is wel wat voor mij, Judith. Wat doe je? Hou op daar!

Dochter: Ik mag toch wel weten wat er in die dozen zit. Het is ook mijn huis!

Moeder: Blijf af! Dit is precies wat je altijd doet. Je komt hier om alles overhoop te halen.

Dochter: Waar zijn papa's spullen? Dit is niet van hem.

(René komt terug in de eetkamer)

René: Ik heb taart meegenomen. Al had ik niet gedacht dat de sfeer zo feestelijk zou zijn.

Moeder: Nee, ze zijn niet van je vader. Dan moet je naar zolder. Dat lijkt me een leuk uitstapje, maar ik zit net lekker.

Dochter: Jij gaat hier wonen he. Met je taart. En je koffie. Je trekt hier in.

René: Binnenkort ja. Dit zijn de eerste spullen.

Dochter: Axe deodorant? Echt waar? Gadverdamme, man.

Moeder: Daar heeft ze een punt René. Die lucht is niet te harden.

Dochter: Het is de geur van brugklassen.

Moeder: Alsof ik met een tiener in bed lig! Zo jong hoeft het nou ook weer niet.

René: Zeg jij nou dat ik stink?

Dochter: 'Jezus houdt van alle kinderen', dat zet je toch niet op een pen.

Hey, wat doet die foto hier? Ah, die ís van de brugklas.

Moeder: Daar sta je sinds vandaag.

René: Mag ik eens zien? (René pakt fotolijstje aan) Wat een rust.

Dochter: Waar?

René: In die foto.

Moeder: Ja, dat is nu wel over.

Dochter: Ach, ik was gewoon nog niet af. Nog geen mens. We kunnen nu gaan doen alsof ik toen leuker was. Liever. Maar ik was er nog niet.

Moeder: Knap was je. Knaaap!

Dochter: Ik wil taart. Kan dat, René? Kan die taart aantreden?

René: Natuurlijk, wil je mocca of kersen?

Dochter: Je neem twee taarten mee? Mijn vader had suiker, weet je dat. Daar heeft ze me altijd voor gewaarschuwd. Geen snoepjes, geen lollies, straks krijg je suiker, net als je vader.

Moeder: 'Ze', zo praat je toch niet over je moeder. 'Ze'.

Dochter: En je dan maar afvragen waarom ik zo vaak ziek was. Ik mocht niks eten! Niks!

René: Laten we dat dan nu inhalen. Ik haal de bordjes.

(René loopt de keuken in)

Dochter: Je hebt zo'n positieve gekozen, he.

Moeder: Onverbiddelijk.

Dochter: Ik wil het je wel gunnen. Ik zou best willen dat ik zo iemand was, maar dat is niet hetzelfde als het je echt gunnen, he?

René: Dames, hoe drinken jullie je koffie?

Moeder: Met een beetje drama.

Dochter: Ik wil het dus wel, Mam.. Het je echt gunnen.

Moeder: Ik ben eindelijk iemand waar mensen verliefd op worden.

Dochter: Verliefd met taart.

Moeder: Ja, met slechte suikers.

René (vanuit keuken): Ik snij gewoon van elke drie stukken af. Er is toch genoeg.

Moeder: Bedenk je wat je liever had gewild. Dat er in die dozen spullen van papa hadden gezeten, spullen waar ik me nog steeds geen raad mee wist. Of de gore deodorant van een nieuwe man. Een man waar ik me misschien ook nog geen raad mee weet, maar ja.

Dochter: Je weet toch dat dochters op hun moeder willen lijken?

Moeder: Ja.

Dochter: Ik wilde dat vroeger ook. Niet om je make-up, je hakken, je mooie jassen. Het ging me om die houding, dat maakte dat ik tegen je op keek. Dat nonchalante. Laat maar waaien. Ik heb me altijd zo druk gemaakt. Ik snapte niet dat we niet wat meer op elkaar leken.

René (vanuit keuken): Die moccataart is zwaar hoor. Loodzwaar.

Moeder: Ja, als ie taart meebrengt zal je het weten ook. Ga verder, lieverd.

Dochter: En het is eigenlijk nog steeds zo. Jij kunt allemaal dingen die ik niet kan. Verliefd worden, je woonkamer vol met troep laten staan. En je zit daar gewoon, alsof het allemaal op je afkomt.

René (vanuit keuken): Die kersen is echt lekker. Heel vol.

Moeder: René, kun je even je kop houden? We komen hier nader tot elkaar.

Dochter: Soms ben ik dronken. Dan sta ik met mijn vriendinnen in de kroeg en dan hoor ik mezelf. Ik zeg alles wat ik denk. En dan vind ik dat ik op je lijk. Dat ik eindelijk een beetje op jou lijk.

Moeder: Ik weet niet of ik hier vrolijk van word. De dronken jij lijkt op mij? Ach lieverd.

Dochter: En dan wil ik je bellen. Om je te laten horen hoe erg ik op je lijk.

(René komt weer de eetkamer in)

René: Daar zijn we dan! Zes stukken taart.

Moeder: René, niet doen. Rot op met die taart. Trek de drankkast open. Mijn dochter wil een borrel en ik ook. Taart eet ik wel met mijn vriendinnen.

René: Oh, maar ik dacht dat je zo van mocca hield.

Dochter: En ik dacht dat ze zo van papa hield.

Moeder: Hahaha.

René: Ik zet muziek op, zal ik muziek opzette?.

Moeder: Ik wil Sade, of ben ik dan een oude trut?

Dochter: Nee, Sade kan weer geloof ik. Ja, dat kan weer helemaal.

Geschreven in het kader van Play With Food voor Theater Frascati November 2012
Gelezen door Naomi Velissariou, Tessa du Mee en Niek van der Horst.