Francisco van Benthum

Interview
MAURITS DE BRUIJN

Francisco van Benthum

Dat Nederland in staat is succesvolle modeontwerpers voort te brengen hebben Viktor & Rolf al laten zien. Maar er is nog meer modetalent in ons land te vinden: Francisco van Benthum is daar een goed voorbeeld van. Voor zijn herenlabel WOLF/ van Benthum weet hij overtuigende en elegante collecties neer te zetten die refereren naar mannelijke rolmodellen.

Biografie

Van Benthum studeerde af aan de Hogeschool voor de Kunsten Arnhem en ontwikkelde zich tijdens de masteropleiding Fashion Institute Arnhem. Met Michiel Keuper vormde hij tot 2001 het duo KEUPR/ van BENTM dat internationaal succes had met spraakmakende, uitbundige en innovatieve haute couture voor mannen en vrouwen. Sinds 2003 is Francisco van Benthum de drijvende kracht achter het label WOLF/ van Benthum. Van Benthum ontwerpt tevens voor Puma Rudolf Dassler. Hij woont en werkt in Amsterdam.

Jeugd

Al was de moeder van mijn moeder kleermaker, ik zou niet direct weten waar de fascinatie voor mode vandaan komt. Ik was al op jonge leeftijd bezig met kleding, al wist ik toen nog niet dat ik er mijn beroep van kon maken. Uit de Burda knipte ik onderdelen patronen die ik met elkaar combineerde. Toen ik er op de middelbare school achterkwam dat er opleidingen waren tot modeontwerper wist ik dat dat was wat ik wilde. Ik heb nooit aan iets anders gedacht. Mijn ouders stimuleerden mij en mij twee zussen enorm. Zij zeiden: ‘Doe wat je wilt doen, wij zullen achter je staan.’

Heren

Ik heb altijd herenkleding ontworpen, dat was eigenlijk een automatisme. Ik heb wel ideeën over vrouwenkleding, maar het is meer natuurlijk voor mij om voor mannen te ontwerpen. Maar in Arnhem (Hogeschool voor de Kunsten Arnhem, red.) deed niemand iets met mannenkleding. Dat deed je gewoon niet. Er was één herenpop in het hele schoolgebouw. ?Er werd nog niet op een vernieuwende manier gedacht over het maken van herenkleding. En hetgeen er toen gebeurde op het gebied van herenmode was heel erg onzichtbaar. Je zou kunnen zeggen dat het publiek nu klaar is voor de kleding die ik graag zou willen maken. Tien jaar geleden had ik nooit kunnen maken wat ik nu maak.

Nederland

Nederland is klein op het gebied van mode. Het is een wereld waarin iedereen elkaar kent. Ik ben erg blij met de Amsterdam Fashion Week. Mode is nu een ding in Nederland. Voorheen moest je je op het buitenland focussen wilde je meetellen. Het werkte dus andersom: pas als je in het buitenland succes hebt, kan het in Nederland werken, Gelukkig is dat nu veranderd.

Viktor & Rolf hebben laten zien dat het mogelijk is voor Nederlands ontwerpers om succesvol te worden. Een nadeel blijft dat het niet mogelijk is om in eigen land te produceren, zoals dat in België wel het geval is. Daar raak je al tijdens je opleiding bekend met mogelijkheden om je kleding te laten maken. Ik hoop echt dat dat in Nederland weer terug komt.

Rolmodellen

Al zou ik voor vrouwen ontwerpen, dan zou ik toch spelen met referenties naar mannen. Ik speel altijd met codes waar mannen zich aan moeten houden. Ik zou bijvoorbeeld nooit een Percy-jurk (Percy Irausquin, red.) ontwerpen voor een vrouw. Mannelijke rolmodellen vormen een bron van inspiratie voor mijn collecties. Het uniform is iets dat aan deze rolmodellen blijft vastkleven, je zou het zakenpak ook als uniform kunnen zien. Maar ook de meer letterlijke vertaling van het uniform:een rij mannen opgesteld in hetzelfde uniform, zoals in de marine (Collectie S/S 2007 HERO) of militaire uniformen vormen voor mij een mooi beeld.

Ik merk dat er een groep mannen is die vasthoud aan regeltjes. Mannen in hoge functies dragen altijd een klassieke outfit. Je zult nooit een president zien in een pak van Dolce & Gabanna. Er is dus nog steeds een bepaalde code die niet wordt doorbroken. Een man moet een colbert, een overhemd en een stropdas dragen. En het colbert zal nooit veranderen. Dat is een gegeven

Zelf houd ik me niet aan die codes. En mijn klanten natuurlijk ook niet. Er zijn meer en meer mensen die durven. Ze willen net iets anders dragen. Veel van mijn klanten komen uit de creatieve hoek.

Over het algemeen zijn mannen zich de laatste tien jaar anders gaan kleden. Je kunt je nu niet meer voorstellen dat een jongen van achttien jaar zijn kleding door zijn moeder laat kopen. Door de opkomst van ketens als H&M en ZARA is kleding voor iedereen toegankelijk geworden?

Inspiratie

Ik kijk wel naar andere ontwerpers. Het is goed om te weten wat er speelt. Ik respecteer mensen als Helmut Lang. Ik ben blij dat zijn modehuis nieuw leven is ingeblazen. Hij is erg belangrijk geweest voor de modewereld. Dankzij hem kunnen we nu een colbert met een spijkerbroek combineren. Esthetisch gezien hou ik erg van het werk dat Raf Simons doet voor Jil Sander.

Balenciaga is voor mij het grootste voorbeeld van innovatie. Qua beeld werkt het goed, maar er gebeurt ook echt iets qua collectie. Zijn werk in de jaren ’50 was ontzettend bijzonder voor die tijd. Hij dacht vanuit een abstract idee over mode, hij ontwierp vanuit vorm in plaats vanuit het lichaam te denken. Totaal anders dan ik dus. Ik ontwerp binnen een lijn die er al is. En daarbinnen zoek ik de grenzen op. Ik wil meer dan een overhemd maken, ik wil het iets extra’s geven. Ik zou het niet zo snel buiten het lichaam zoeken. Onbewust hou je je toch aan regels.

Voor mij staat kwaliteit voorop. Hoe het kledingstuk in elkaar zit is erg belangrijk, ik besteed veel aandacht aan de details. En het is heel belangrijk dat de kleding refereert naar mannenkleding. Maar door de toevoeging of het weglaten van een detail maak ik het klassieke kledingstuk anders.

Mijn werk is erg grafisch, ik maak gebruik van een harde lijn. Ik werk naar een atmosfeer toe, een totaalplaatje. Qua inspiratie blijf ik heel dichtbij kleding. De plaatjes die ik verzamel zijn bijna altijd van kledingstukken.

Duo

Michiel (Keuper, voor KEUPR/van BENTM) en ik waren we erg naïef. Als ik erop terugkijk, beschouw ik dat als een voordeel. We wilden gewoon shows in Parijs doen, dus deden we daar ons best voor.

We konden bepaalde dingen delen. Je ontving feedback van de ander en kon ideeën uitwisselen. Soms ben je samen sterker, je kunt elkaar stimuleren. Samenwerken had ook een praktisch voordeel.

Binnen die samenwerking was er wel een duidelijke verdeling. Ik werkte aan de herencollectie en Michiel deed de dameskleding. Ik zou niet met zijn tweeën aan een ding kunnen werken, denk ik. Op een gegeven moment was het heel natuurlijk om met het label te stoppen.

Het advies dat ik graag aan jonge ontwerpers zou willen geven is dat je moet inzien dat het een hele lange weg is. Het vergt erg veel van je. In mijn tijd moest je telkens het wiel opnieuw uitvinden volgens het zolderkameridee: Je moet alles zelf doen en vooral je eigen fouten maken. Ik geloof daar niet in en denk dat het slim is als mensen samenwerken in praktische zin, zodat bepaalde obstakels samen overwonnen kunnen worden.

Kunst

Wat we hebben gemaakt voor KEUPR/van BENTUM kan niet in de winkel hangen. Er hangt nu werk van ons in het Centraal Museum in Utrecht. Ik denk dat het belangrijk is dat als kleding in het museum hangt het wel een bepaalde context krijgt. Dat de kleding een beeld geeft van een bepaalde tijd, dat het een plek krijgt in de Nederlandse geschiedenis bijvoorbeeld. De kleding moet een registratie vormen van iets.

Kleding moet een lichaam hebben. Kleding als gebouw of hele abstracte kleding zou ik niet als mode ervaren. Je werkt anders als de kleding verkocht moet worden. Je houdt rekening met een mogelijke klant, met de mogelijkheden wat betreft productie, de prijs/kwaliteit-verhouding. De dingen die ik nu voor WOLF maak zal je niet terug zien in een museum. Die kleding heeft een andere waarde, het is een andere ervaring.

Dief

Voor de collectie THIEF, voor herfst/winter ‘07’08 speel ik met het clichébeeld van de juwelendief in jaren zestig films, zoals James Bond. Ik vind het een mooi gegeven en ik vind het beeld ook sterk. Het gegeven dat een slecht iets, de dief, ook een mooi beeld kan opleveren. Je kunt dat uitgangspunt natuurlijk op verschillende manieren vertalen naar en collectie. Je zou een jurk kunnen overgooien met Swarovski-kristallen. Dat is niet gebeurd, maar ik ben wel uitgegaan van de diamant: een symbool voor schoonheid.

Een diamantenroof kan ook mislukken, zo ben ik bij politie-uniformen terecht gekomen. Ik werd geïnspireerd door de Braziliaanse politie die hele kleurrijke kleding dragen. Daarnaast heb ik veel zwart gebruikt in deze collectie. Dat is niet omdat het slecht met me ging, maar omdat ik erg veel zwart beeld had verzameld, dat ontstaat gewoon. Ik heb ook inspiratie gehaald uit de moderne kant van het roven, zoals je dat in b.v. Mission Impossible ziet: het technisch vernuft dat nodig is om een museum binnen te komen. Die elementen zijn verwerkt in details zoals je dat in de jas (zie foto) ziet.

Zo is een collectie uiteindelijk een mix van ingrediënten die samen een verhaal maken. Dat verhaal hoeft niet per se bij de consument terecht te komen, dat is meer voor mezelf.

Origineel gepubliceerd in Gay & Night

Interview door Maurits de Bruijn